Mormoonse menopauze

Posted on 2 jan '07

Overgang voordelig voor moeder én kind

Gedragsbioloog Dustin Penn en bevolkingsonderzoeker Ken Smith bekeken de gezondheidsgevolgen van het krijgen van kinderen bij 21 duizend mormoonse stellen. Veel kinderen krijgen blijkt schadelijk te zijn. De onderzoekers denken dat de menopauze de overlevingskansen van zowel moeders als hun kinderen vergroot.

De mens is de enige aap die het fenomeen menopauze kent. Chimpansees, bijvoorbeeld, doen daar niet aan. Waarom wij dan wel? De verklaring moet in onze evolutie liggen. Onze Afrikaanse voorouder Australopithecus maakte twee tot drie miljoen jaar geleden een flinke ontwikkelingsspurt mee. Door een veranderend klimaat werd de omgeving vruchtbaarder, voedselschaarste was er nauwelijks. Deze mens nam zijn kans en paste zich aan. Hij kreeg een grotere schedel om grotere hersenen te kunnen herbergen. Zijn levensduur werd langer en ook de kindertijd nam toe.

De ontwikkelingssprong had ook een paar minder fijne consequenties. Kwetsbare kinderen vroegen meer verzorging en bescherming. Bovendien maakten hun grotere schedels het baren lastiger. De menopauze stelde de moeder in staat te stoppen met voortplanten als het baren voor haar te riskant werd. En doordat ze geen nieuwe koters erbij kreeg, had ze de handen vrij voor het grootbrengen van haar kleintjes. Het lijkt een logische verklaring.

Een aanvullende verklaring voor het nut van de menopauze is de zogenaamde ‘grootmoederhypothese’. Die stelt dat de reproductiestop de moeder in staat stelt niet alleen haar eigen kinderen naar de volwassenheid te begeleiden, maar ook haar kleinkinderen. De grootmoederhypothese verklaart niet waarom mannen niet in de overgang komen. Het evolutionair voordeel van een grote kinderschare legt het af tegen een gezonde moeder die in staat is de kinderen groot te brengen.

De ‘baarstop’ geeft moeders nageslacht meer kansen. Deze theorie, ook de ‘prudent mother’-hypothese genoemd, gaat er van uit dat moeders meer gezondheidsnadelen ondervinden van hun reproductie dan mannen. Die theorie wordt ondersteund door de cijfers die gedragsbioloog Dustin Penn (Konrad Lorenz Instituut, Wenen) en bevolkingsonderzoeker Ken Smith (Universiteit van Utah) presenteren in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences. Zij onderzochten de gezondheidsgevolgen van de voortplanting van 21 duizend getrouwde stellen. De bestudeerde koppels gaven elkaar het ja-woord in de traditionele mormoonse samenleving van Utah van de tweede helft van de negentiende eeuw. Hoewel de mormonen vaak geassocieerd worden met veelwijverij, was daar bij deze stellen geen sprake van. Ook de huwelijken tussen bloedverwanten werden niet meegenomen in de studie.

De echtparen hadden geen moderne voorbehoedsmiddelen voorhanden. Medische zorg was er maar mondjesmaat, lichamelijke ontberingen waren normaal. Toch waren de gezinnen niet helemaal op zichzelf aangewezen. Mormonen zorgen goed voor elkaar en elkaars kinderen. En wat ze extra aantrekkelijk maakte voor de onderzoekers: deze hechte geloofsgemeenschap beschikt over de grootste collectie genealogische gegevens ter wereld. Alle geboorte- en sterfdata waren dus precies bekend.

Uit eerdere studies was al gebleken dat een grote kinderschare de levensverwachting van de vrouw verkleint. De paar kleine onderzoeken die naar mannen zijn gedaan, suggereren dat vaders niet echt gezondheidsnadelen ondervinden van hun reproductie. Het onderzoek in Utah vergelijkt de gevolgen voor de echtelieden met elkaar. Binnen een jaar na de geboorte van het laatste kind stierven 1.414 vrouwen. Na vijf jaar was dit getal opgelopen tot 2.402. Voor echtgenoten bleef de teller op respectievelijk 613 en 1.696 steken.

En uit die cijfers blijkt dat de mannen wel degelijk inleveren op hun gezondheid als het kindertal toeneemt, al is die schade niet zo groot als die voor vrouwen. Na deze vijf jaar na de geboorte van het laatste kind is er geen significant nadeel meer terug te vinden bij de mannen. Bij moeders werd tot na hun vijftigste levensjaar nog steeds een verband gezien tussen de grootte van de kinderschare en een kortere levensduur.

En de kinderen zelf? Uit de cijfers blijkt een verband tussen het aantal kinderen en overlevingskansen: hoe meer broertjes en zusjes, hoe lager de levensverwachting. De kindersterfte was over het geheel genomen hoog: 18 procent werd niet ouder dan achttien jaar. Maar voor kinderen uit gezinnen met meer dan twaalf kinderen liep de kindersterfte op tot 22 procent. De jongsten liepen het meeste risico. Maar liefst een kwart van deze kinderen haalde de achttien jaar niet. Het gemiddeld aantal kinderen dat deze mormoonse vrouwen kregen was hoog: net iets meer dan acht. Het laatste kind kwam ze gemiddeld op moeder’s achtendertigste. Met zo’n staat van dienst was ze dan ook wel aan baarpensioen toe.

— Gemiddeld kregen de mormoonse vrouwen ruim acht kinderen.
— Linker vrouw wel in de overgang, vrouw rechts niet.
— De mormoonse kerk heeft de grootste collectie genealogische gegevens ter wereld. De gemeenschap vindt stamboomonderzoek zo belangrijk omdat de leden van de kerk hun voorouders lid kunnen maken van de gemeenschap. Zo kunnen gezinnen in het hiernamaals weer compleet bijeen komen.

Dustin J. Penn en Ken R. Smith: ‘Differential fitness costs of reproduction between the sexes’, PNAS, early edition, 27 december 2006.

Geschreven voor VPRO’s Noorderlicht

Be the first to leave a comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *