De geur van thuis

Posted on 10 jan '07

Koraalvisje met heimwee zwemt zijn neus achterna

Piepkleine vissenlarven gebruiken hun reukzin om de weg terug naar het koraal te vinden. Op welke geurtjes ze afgaan, is niet bekend. Maar dát ze hun neus achterna zwemmen, bewezen zeebiologen op het Australische Groot Barriérerif.

De diversiteit van vissen op koraalriffen is enorm. Elk rif herbergt zijn eigen, specifieke soorten. Pas uit het ei zwermen de visjes soms ver de oceaan in, maar om zich voort te planten, trekken ze uiteindelijk weer terug naar hun geboorteplek. Hoe vinden ze die terug? Zeebioloog Gabriele Gerlach en haar collega’s denken dat de larfjes de weg naar huis kunnen ruiken. De biologen onderzochten koraalvissen in de wateren van het Groot Barrièrerif, aan de oostkust van Australië.

Eerst bestudeerden ze de waterstromen waarmee larven zich verspreiden, om te kijken waar ze allemaal terecht kunnen komen. Vervolgens legden ze drie vissensoorten uit het koraal langs de genetische meetlat, omdat ze wilden weten in hoeverre er verschillen waren tussen dieren van verschillende riffen. En als laatste onderwierpen de biologen de vissenbaby’s aan een reuktest.

Om de stroming in kaart te brengen maakten de onderzoekers een computersimulatie van de bewegingen in het water rond vijf bij elkaar gelegen riffen. Dat onthulde hoe geurstoffen van de riffen zich in de omgeving verspreiden. Ze lieten er bovendien 25.200 virtuele babyvisjes in los. Die waaierden ook uit over de riffen, vooral in noordelijke richting.

Als de larfjes van vlees en bloed eenzelfde reis zouden maken, zou dat terug te vinden zijn in de genen, meenden de biologen. De drie onderzochte vissen zijn bij ons vooral bekend uit zoutwateraquaria – maar niet zó bekend dat ze een Nederlandse naam hebben. De eerste deelnemer was Ostorhynchus doederleini, een relatief stuntelige zwemmer. De larfjes van deze soort gaan 16 tot 27 dagen in open zee de hort op voor ze terugkeren naar huis. Deelnemer twee was Pomacentrus coelestis, juist een bedreven zwemmer. Deze soort brengt eveneens een week of drie van zijn kindertijd in de volle zee door. En als derde de Acanthochromis polyacanthus, waarvan de larven niet in de oceaan belanden, maar binnen de beschutting van het koraalrif blijven.

Bij de eerste, O. doederleini, zagen de biologen een genenvariatie die er inderdaad op wijst dat veel visjes terug keren naar hun geboortewater. P. coelestis liet daarentegen nauwelijks genenvariatie zien tussen de verschillende volkjes in de riffen. Toch weten ook deze de weg naar het koraal terug te vinden, maar blijkbaar zijn ze minder kieskeurig. Bij A. polyacanthus zagen de onderzoekers ook genetische verschillen. Omdat deze soort zijn leven lang op het zelfde plekje in het koraal blijft, verraste dat de onderzoekers niet.

De zeebiologen denken dat de vissen met de geur van het koraal meezwemmen die in het water zit. Om deze hypothese te testen lieten ze de visjes los in verschillend koraalwater. Door een smalle buis voerden ze twee waterstromen. Visjes die in de buis werden losgelaten, gaven aan het liefst in hun ‘eigen’ thuiswater te willen zwemmen. Ze vermeden de andere stroom, waardoor water uit andere naburige oorden werd gevoerd. Beide koraalvissen die hun jeugd buiten het koraal doorbrachten hadden duidelijk een voorkeur voor het water uit het thuiskoraal. Van de vis die z’n hele jeugd thuisblijft, vingen de onderzoekers er maar zes, en dat was niet genoeg om conclusies uit te trekken.

Een vis in open zee die de weg naar het koraal terug wil vinden, kan ook andere zintuigen gebruiken. Zien kunnen de vissen bijvoorbeeld ook prima. Maar zelfs bij heldere dagen is het zicht beperkt tot vijftig meter. Ook is het mogelijk dat de vissen geluiden uit het rif herkennen. Dat de piepkleine larfjes in staat zouden zijn magnetisme bij hun oriëntatie te gebruiken, zoals duiven en forellen, lijkt de onderzoekers onwaarschijnlijk. Er is in de piepkleine larvenlichaampjes niets te vinden wat op de aanwezigheid van een detectiesysteem voor het aardmagnetische veld wijst. Kortom: de neus is waarschijnlijk het belangrijkste zintuig voor koraalvisjes met heimwee. Maar wat de beestjes nu precies ruiken, blijft ongewis.

Gabriele Gerlach, Jelle Atema, Michael J. Kingsford, Kerry P. Black en Vanessa Miller-Sims: ‘Smelling home van prevent dispersal of reef fish larvae’, PNAS early edition, 8 januari 2007.

Geschreven voor VPRO’s Noorderlicht

Be the first to leave a comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *